ECLI:NL:CRVB:2001:AA9927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake intrekking WAO-uitkering ter beschikking gestelde
Verzoeker, een ter beschikking gestelde (tbs) in de Dr S. van Mesdag-kliniek, ontving sinds 1981 een WAO-uitkering die per 1 juni 2000 werd ingetrokken vanwege zijn vrijheidsontneming volgens de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg).
De intrekking werd bevestigd door de rechtbank en daarop werd hoger beroep ingesteld met een verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker stelde dat zijn situatie vergelijkbaar was met proefverlof en andere vormen van gedwongen plaatsing waarbij de WAO-uitkering niet wordt ingetrokken, en dat hij in financiële nood verkeerde.
De president oordeelde dat de ter beschikking stelling niet gelijkgesteld kan worden met andere vormen van gedwongen plaatsing zoals bedoeld in artikel 37 Sr Pro of de Wet Bopz, en dat het verlof dat verzoeker genoot wezenlijk verschilt van proefverlof. Ook was geen sprake van gelijke gevallen die het gelijkheidsbeginsel zouden schenden.
Verder werd vastgesteld dat verzoeker zak- en kleedgeld ontvangt en geen financiële noodsituatie heeft. Gezien de wettelijke bepalingen en de wetsgeschiedenis was er geen grond om de voorlopige voorziening toe te kennen. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de WAO-uitkering wordt afgewezen.