ECLI:NL:CRVB:2001:AB0064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toestemming nevenwerkzaamheden in man-vrouw-firma bij Belastingdienst
Appellante, werkzaam als groepsfunctionaris C bij de Belastingdienst, had toestemming om nevenwerkzaamheden te verrichten in het schoonmaakbedrijf van haar echtgenoot. Na wijziging van de rechtsvorm van het bedrijf naar een man-vrouw-firma vroeg zij opnieuw toestemming, die werd geweigerd vanwege mogelijke belangenverstrengeling en de integriteitseisen van de Belastingdienst.
De Raad oordeelt dat het verzoek terecht als nieuw verzoek is beoordeeld, omdat het ondernemerschap als vennoot wezenlijk anders is dan het werken in het bedrijf van haar echtgenoot. Het beleid van de Belastingdienst, gebaseerd op artikel 61 ARAR Pro en het RPVB, verbiedt nevenwerkzaamheden die kunnen leiden tot belangenverstrengeling, vooral bij ondernemerschap met winstoogmerk.
De Raad vindt het beleid redelijk en passend gezien de hoge eisen aan integriteit en onafhankelijkheid. De omvang van de onderneming en de fraudegevoeligheid van de branche rechtvaardigen de weigering. Het eerdere probleemloze verrichten van administratieve werkzaamheden in het eenmansbedrijf weegt niet zwaarder. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van toestemming voor nevenwerkzaamheden in een man-vrouw-firma vanwege risico op belangenverstrengeling.