ECLI:NL:CRVB:2001:AB1092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens seksuele intimidatie ongeschiktheid en onvoldoende herplaatsingsonderzoek
Appellant, werkzaam sinds 1972 bij de Raad voor de Kinderbescherming, werd ontslagen wegens herhaaldelijk grensoverschrijdend gedrag jegens vrouwelijke collega’s, aangemerkt als seksuele intimidatie. De rechtbank bevestigde het ontslagbesluit, maar het hoger beroep richtte zich op de zorgvuldigheid van het herplaatsingsonderzoek.
De Raad concludeert dat appellant ongeschikt was voor zijn functie vanwege zijn gedrag, dat onvoldoende afstand bewaren en gebrek aan inzicht in de ernst van zijn gedragingen omvatte. Ondanks dit was het interne onderzoek zorgvuldig en was er geen bewijs van vooringenomenheid.
Echter, de Raad oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft onderzocht of herplaatsing elders mogelijk was, terwijl dit gezien de lange staat van dienst en het tolerante werkklimaat van belang was. Hierdoor is het ontslagbesluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en wordt het vernietigd.
De Raad beveelt een nieuwe beslissing aan met inachtneming van de overwegingen en veroordeelt de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende herplaatsingsonderzoek en gedaagde moet een nieuwe beslissing nemen.