ECLI:NL:CRVB:2001:AB1726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Th.M. Schelfhout
- H.Th. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WW-uitkering bij voortzetting dienstbetrekking zonder werkzaamheden
Appellant was van 3 mei 1965 tot 1 april 1997 werkzaam bij Recreatiepark [X]. Na 1 april 1997 verrichtte hij geen werkzaamheden meer, maar bleef hij loon ontvangen, eerst 100% en vanaf januari 1998 80% van het salaris. Gedaagde stelde dat de dienstbetrekking was geëindigd en dat de betalingen een VUT-uitkering waren, waardoor appellant geen recht had op WW-uitkering.
De Raad concludeerde dat appellant zijn werknemerstatus behield omdat er geen aanwijzingen waren dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd of vervangen door een andere rechtsverhouding. De loonbetalingen werden als salaris aangemerkt, ook al werden er geen werkzaamheden verricht. Hierdoor voldeed appellant aan de referte-eis van de WW.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover de rechtsgevolgen werden gehandhaafd, bevestigde de rest van de uitspraak, en bepaalde dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Appellant behoudt zijn werknemerstatus en heeft recht op WW-uitkering vanaf 11 november 1998.