ECLI:NL:CRVB:2001:AB1736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing artikel 33 AAW bij beperkte arbeid in maatschap
Het geschil betreft de toepassing van artikel 33 van Pro de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) op de uitkering van gedaagde over 1995. Appellant had de uitkering verlaagd op grond van de veronderstelling dat gedaagde inkomsten uit arbeid genoot, terwijl de rechtbank dit besluit vernietigde.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat gedaagde, ondanks haar fiscale keuze om inkomsten als winst uit onderneming aan te merken, slechts zeer beperkte werkzaamheden verrichtte, namelijk het doorverwijzen van zakelijke telefoongesprekken. Dit wordt niet als relevante arbeid in de zin van artikel 33 AAW Pro beschouwd.
Appellant voerde aan dat ook geringe arbeid binnen een maatschap als inkomsten uit arbeid moet worden gezien, maar de Raad acht dit niet aannemelijk gezien de aard van de werkzaamheden en de psychische gezondheidsklachten van gedaagde.
De Raad veroordeelt appellant tot betaling van proceskosten aan gedaagde en legt een recht van heffing op aan appellant. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Van Voorst en leden Van der Vos en Olde Kalter op 6 maart 2001.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de beperkte werkzaamheden van gedaagde niet als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 33 AAW kunnen worden aangemerkt en wijst het beroep van appellant af.