ECLI:NL:CRVB:2001:AB1904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens ontoereikende medische onderbouwing
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) om zijn WAO-uitkering, berekend op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45%, met ingang van 3 februari 1997 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad onderzocht of het besluit van 20 april 1998, dat de intrekking van de uitkering bevestigde, op een juiste grondslag berustte.
De Raad oordeelde dat Lisv geen onderzoek had verricht naar de belasting van de door appellant feitelijk vervulde functies (buschauffeur en reisleider) in relatie tot de medische beperkingen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of de toepassing van artikel 2, onderdeel h, van het Schattingsbesluit correct was. Het besluit berustte daarmee op een ontoereikende grondslag en werd vernietigd.
De Raad wees tevens het beroep tegen de uitspraak van de rechtbank toe en bepaalde dat Lisv het door appellant betaalde griffierecht moest vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het betaalde griffierecht wordt vergoed.