ECLI:NL:CRVB:2001:AB2193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen besluit arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van AAW en beoordeling inkomsten uit arbeid
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) was in hoger beroep gekomen tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van gedaagde tegen een besluit van Lisv gegrond had verklaard. Het besluit betrof de uitbetaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) over 1995, waarbij de uitkering werd berekend naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan Lisv had vastgesteld.
De kern van het geschil betrof de vraag of de inkomsten die gedaagde in 1995 had verworven, moesten worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid. Lisv stelde dat dit het geval was en paste artikel 33 van Pro de AAW toe, terwijl gedaagde stelde dat het om inkomsten uit vermogen ging. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was onderzocht of sprake was van inkomsten uit arbeid en vernietigde het besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de fiscale kwalificatie van gedaagde, die zijn inkomsten als winst uit onderneming had opgegeven, leidend is, tenzij bijzondere omstandigheden dat tegenspreken. De Raad vond onvoldoende aanwijzingen voor dergelijke bijzondere omstandigheden en concludeerde dat gedaagde wel degelijk inkomsten uit arbeid had verkregen. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van Lisv ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt ongegrond verklaard en het besluit tot aanpassing van de uitkering wordt gehandhaafd.