ECLI:NL:CRVB:2001:AB2486

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/1581 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 AbwArt. 52 AbwArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van netto-uitkeringen Stichting Sugo als inkomen voor Algemene bijstand

Appellante, voormalig werknemer van een bedrijf dat is geprivatiseerd, ontving netto-uitkeringen uit een fonds beheerd door Stichting Sugo ter compensatie van inkomensverlies door de overgang naar een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Deze uitkeringen werden sinds 1990 maandelijks aan haar uitgekeerd.

Vanaf 1996 ontving appellante algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), waarbij de betalingen van Stichting Sugo in mindering werden gebracht. Appellante verzocht om terugbetaling van deze inhoudingen en om toekomstige betalingen niet meer te verrekenen met de bijstand, maar dit verzoek werd afgewezen door het College van burgemeester en wethouders van Zaanstad en later door de rechtbank.

In hoger beroep stond centraal of de netto-uitkeringen als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, Abw moesten worden aangemerkt. De Raad oordeelde bevestigend, omdat de betalingen voortvloeiden uit arbeid en bedoeld waren ter compensatie van inkomensverlies, en mede dienden voor het levensonderhoud van appellante.

De Raad verwierp het standpunt dat de storting in 1990 als vermogensvorming moest worden gezien, omdat appellante geen beschikking had over het fonds en de uitbetalingen periodiek plaatsvonden. De inhouding op de bijstand was daarom terecht en het bestreden besluit werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de netto-uitkeringen als inkomen gelden en terecht op de bijstand zijn verrekend.

Uitspraak

99/1581 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J.C.A. Berris, werkzaam bij de Stichting Buro Rechtshulp te Haarlem, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Haarlem op 10 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 11 mei 1999 zijn de gronden van het beroep aangevuld en zijn nadere stukken ingezonden.
Gedaagde heeft bij brief van 21 mei 1999 een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 april 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Berris, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door G.S. Woudstra, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, niet door partijen betwiste, feiten en omstandigheden.
Appellante is werkzaam geweest bij de [X.] die tengevolge van een privatiseringsoperatie is opgegaan in de [Y.] N.V. Ter compensatie van inkomensverlies - en andere rechtspositionele nadelen - is de [Y.] met de werknemersorganisaties een overgangsregeling overeengekomen voor alle in aanmerking komende werknemers. Daarvoor is een fonds in het leven geroepen, waaruit de betreffende medewerkers gedurende een bepaalde periode maandelijks een netto uitkering ontvangen. Het fonds wordt beheerd door de Stichting Uitbetaling Garantiesalarissen Overheidspersoneel (Stichting Sugo). Hoogte en duur van de uitkeringen zijn individueel bepaald. In 1990 zijn over de stortingen in het fonds inkomstenbelasting en sociale premies ingehouden en afgedragen. Aan appellante zijn over de periode januari 1990 tot en met december 1998 maandelijks betalingen gedaan uit het fonds.
Aan appellante is met ingang van 24 maart 1996 algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Op deze bijstand zijn de betalingen van de Stichting Sugo in mindering gebracht.
Namens appellante is gedaagde bij brief van 3 juli 1997 verzocht de op de bijstand ingehouden betalingen van de Stichting Sugo terug te betalen en de in de toekomst te ontvangen maandelijkse betalingen niet meer op de bijstand in mindering te brengen.
Gedaagde heeft dat verzoek bij primair besluit van 13 oktober 1997 afgewezen. Het vanwege appellante tegen dat besluit ingediende bezwaar is bij het thans bestreden besluit van 14 januari 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak van 10 februari 1999 ongegrond verklaard.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de netto uitkeringen die de Stichting Sugo maandelijks aan appellante heeft gedaan, moeten worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Abw.
De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Het volgende wordt overwogen.
Blijkens artikel 47, eerste lid, van de Abw wordt - voor zover hier van belang - onder inkomen verstaan inkomsten uit of in verband met arbeid en inkomsten uit vermogen, dan wel daarmee naar hun aard overeenkomende inkomsten die betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Uit de door de regering gegeven toelichting op dat artikellid valt af te leiden dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals uitkeringen, kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud en dat ook eenmalig ontvangen inkomsten die naar hun aard daarmee overeenkomen, zoals een alimentatieafkoopsom, als inkomen in aanmerking dienen te worden genomen. Voorts valt uit die toelichting af te leiden dat - indien het gaat om een uitkering ineens - moet worden beoordeeld op welke periode de uitkering geacht moet worden betrekking te hebben.
Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat de maandelijkse (netto-)uitkeringen, die de Stichting Sugo aan appellante heeft gedaan, moeten worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Abw. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat zij zijn voortgevloeid uit de arbeid die appellante heeft verricht bij de voormalige [X.] en dat zij (mede) zijn bedoeld om het inkomensverlies dat appellante naar verwachting geleden zou hebben indien zij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was geweest te compenseren door middel van maandelijkse betalingen.
De Raad verwerpt het vanwege appellante ingenomen standpunt dat de storting van een bedrag ineens, die de [Y.] in het jaar 1990 in het door de Stichting Sugo beheerde fonds heeft gedaan, voor zover deze bedoeld is voor appellante, moet worden aangemerkt als vermogensvorming van appellante in dat jaar, en dat het aldus gevormde vermogen (ten tijde in geding) geringer was dan het bescheiden vrij te laten vermogen, bedoeld in artikel 52 van Pro de Abw. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante in 1990 niet de vrijheid had te vorderen dat haar aandeel in het fonds terstond tot uitbetaling zou komen en dat zij evenmin zeggenschap had over het beheer van het fonds en het tempo en de hoogte van de (maandelijkse) uitbetalingen. Dat over de storting in 1990 toen belasting en premies zijn afgedragen kan hieraan niet afdoen.
Voor de Raad staat voorts vast dat de maandelijkse betalingen door de Stichting Sugo (mede) zijn bedoeld als compensatie voor het inkomensverlies dat het gevolg zou zijn van de overgang van een ambtelijke rechtspositie naar een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de tussen de werknemersorganisaties en de voormalige werkgever overeengekomen periode en dat zij, gelet hierop, mede bedoeld waren voor het maandelijkse levensonderhoud van appellante in de periode in geding.
Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde de desbetreffende maandelijkse betalingen terecht als inkomen heeft aangemerkt en dat deze ten tijde in geding terecht op de algemene bijstand in mindering zijn gebracht.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2001.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) B.M. Biever- van Leeuwen.
JdB
705