Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2001:AB3108

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/8401 NABW, 00/1431 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 AbwArt. 45 AbwArt. 47 AbwArt. 51 AbwArt. 52 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit terugvordering bijzondere bijstand wegens onjuiste inkomenswaardering

Appellant, een alleenstaande vertaler, vroeg bijzondere bijstand aan voor extra kosten zoals bewassingskosten en een kuurreis. De gemeente Groningen kende aanvankelijk bijzondere bijstand toe, maar herzag dit na ontvangst van meerdere bedragen in november 1996, december 1996 en januari 1997, die zij als inkomen over 1996 beschouwde en leidde tot terugvordering.

De Raad stelt vast dat twee van de drie bedragen (van Stichting X en Y B.V.) geen betrekking hadden op 1996 en daarom niet als inkomen in dat jaar mochten worden meegeteld. Alleen de in januari 1997 ontvangen werkbeurs kon als inkomen over 1996 worden beschouwd, maar binnen de grenzen van de wet. De berekeningen van de gemeente waren onjuist en het besluit tot terugvordering kon niet worden gehandhaafd.

In het hoger beroep werd ook beoordeeld of de appellant bewijs had geleverd van de gemaakte kosten waarvoor bijzondere bijstand werd gevraagd. Dit bleek niet het geval, zodat het besluit tot toekenning van die kosten gehandhaafd bleef.

De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt de gemeente Groningen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten en griffierechten aan appellant toegekend.

Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijzondere bijstand wordt vernietigd en de gemeente moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

98/8401 NABW
00/1431 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen twee door de Arrondissementsrechtbank te Groningen op 27 oktober 1998 en 28 februari 2000 tussen partijen gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft verweerschriften ingediend en een vraag beantwoord.
Mr. Brouwer, voornoemd, heeft schriftelijk inlichtingen verstrekt.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 10 april 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Brouwer en gedaagde door J.T. Bos, werkzaam bij de gemeente Groningen.
II. MOTIVERING
Voor een uitvoeriger weergave van de in beide gedingen relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant, een alleenstaande vertaler, heeft op 17 januari 1996 gedaagde om bijzondere bijstand verzocht voor extra bewassingskosten. Hij ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering van f 1.266,53 per maand en zijn vermogen bedroeg toen f 3.511,80.
De aanvraag om bijzondere bijstand werd, nadat de draagkracht van appellant over 1996 door gedaagde op nihil was vastgesteld, ingewilligd bij besluit van 31 januari 1996 voor het jaar 1996. Het bedrag van de extra bewassingskosten werd vastgesteld op f 77,08 per maand.
Op 2 augustus 1996 vroeg appellant om bijzondere bijstand voor extra kosten verbonden aan een kuurreis in verband met psoriasis naar En-Bokek (Israël) van 7 oktober 1996 tot en met 4 november 1996. Een bedrag ter grootte van 90% van de reissom werd gefinancierd uit middelen van het Regionaal Ziekenfonds Groningen. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant bedroeg inmiddels f 1.284,13 per maand en zijn vermogen werd toen berekend op f 4.511,11.
Deze aanvraag werd gedeeltelijk ingewilligd bij besluit van 7 november 1996. Een bedrag van f 449,90 (10% van de reissom) werd als noodzakelijke kosten bestempeld. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar leidde tot het besluit van 3 juni 1997, waarbij aanvullend bijzondere bijstand werd toegekend tot een bedrag van f 449,33.
Eind november 1996 ontving appellant f 10.800,-- wegens over 1995 verschuldigd honorarium van de Stichting [X.]. In december 1996 ontving hij f 13.492,89 in verband met een in juli 1994 met de [Y.] B.V. overeengekomen vertaalopdracht. In januari 1997 volgde de betaling van een op 1996 betrekking hebbende werkbeurs ad f 9.600,--.
Het beroep dat appellant had ingesteld tegen het voormelde besluit van 7 november 1996 leidde tot de in rubriek I vermelde uitspraak van 27 oktober 1998, waarbij dat besluit gedeeltelijk werd vernietigd, voorzover het betreft de kosten van black mud, extra water en extra kleding. Ter uitvoering van dit gedeelte van de uitspraak heeft gedaagde ter vergoeding van evenbedoelde kosten een bedrag groot f 455,90 aan appellant betaald.
De rechtbank zag geen grond voor bijstandsverlening in de overige in geding zijnde kosten, waarvoor appellant vergoeding heeft gevraagd: de toeslag voor een éénpersoonskamer tijdens het kuren, een zonnebril en diverse beschermingsartikelen en maaltijden in aanvulling op het in de reissom begrepen halfpension. Het hoger beroep in de zaak nummer 98/8401 NABW heeft uitsluitend op de laatstgenoemde kostenposten betrekking. Volgens appellant had gedaagde ook voor die posten bijzondere bijstand moeten toekennen.
De bedragen die appellant in november en december 1996 en in januari 1997 heeft ontvangen zijn voor gedaagde aanleiding geweest om de eerder genomen besluiten tot toekenning van bijzondere bijstand te herzien en na bezwaar deze herziening te herroepen en op grond van artikel 82, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) tot terugvordering over te gaan. Het bedrag van de terugvordering is niet vermeld in het besluit op bezwaar van 22 maart 1999. Uit de gedingstukken valt af te leiden dat het kennelijk gaat om de op basis van de besluiten van 31 januari 1996 en 3 juni 1997 betaalbaar gestelde bedragen van f 924,96 en f 449,33. Bij de in rubriek I vermelde uitspraak van 28 februari 2000 is het tegen het besluit van 22 maart 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep in de zaak 00/1431 NABW is tegen deze ongegrondverklaring gericht. Volgens de gemachtigde van appellant had de ontvangen werkbeurs niet in beschouwing mogen worden genomen bij het alsnog in aanmerking te nemen inkomen over 1996; zijns inziens waren er dringende redenen om van terugvordering af te zien.
98/8401 NABW
De Raad ziet het namens appellant ingestelde hoger beroep in de zaak 98/8401 NABW niet slagen, in aanmerking genomen dat appellant zowel in bezwaar als in beroep en in hoger beroep geen bewijsstukken in de vorm van nota's heeft overgelegd waaruit kan blijken dat hij de gestelde nog in geding zijnde kosten daadwerkelijk heeft gemaakt; aan een schriftelijk verzoek vanwege de Raad om bewijsstukken over te leggen met betrekking tot deze kosten is niet voldaan. Hieruit volgt reeds dat het bestreden besluit voorzover dat op die kosten betrekking heeft, in stand moet worden gelaten en dat met inachtneming hiervan de aangevallen uitspraak van 27 oktober 1998, voorzover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht in dit geding geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
00/1431 NABW
Het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw verplicht het bijstandsverle-nend orgaan kosten van bijstand van de belanghebbende terug te vorderen voorzover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken. Hiervan kan geheel of gedeeltelijk worden afgezien, indien daarvoor dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw aanwezig zijn.
Een op artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw steunend besluit tot terugvordering van bijstand behoeft geen voorafgaand besluit tot intrekking of herziening van het besluit tot toekenning van bijstand. Een besluit om tot terugvordering over te gaan is voldoende.
Ter beantwoording van de vraag of naderhand beschikbaar gekomen middelen in aanmerking kunnen worden genomen zal eerst moeten worden nagegaan of en in hoeverre die middelen als inkomen of als vermogen kunnen worden beschouwd.
Blijkt het uitsluitend om inkomen in de zin van paragraaf 2 van hoofdstuk IV van de Abw te gaan, dan zal met inachtneming van het bepaalde in artikel 47 van Pro de Abw moeten worden vastgesteld of dat inkomen betrekking heeft op de periode waarover beroep op bijstand is gedaan. Is dat het geval en gaat het om kosten van toegekende bijzondere bijstand, dan kan de draagkracht in de vastgestelde draagkrachtperiode opnieuw worden berekend met medeneming van dat beschikbaar gekomen, op het draagkrachtjaar betrekking hebbende inkomen, uiteraard met inachtneming van het bepaalde in artikel 45 van Pro de Abw en de voor de vaststelling van de draagkracht vastgestelde regels.
Voorzover het geen inkomen is als bedoeld in artikel 47 zal Pro tevens rekening moeten worden gehouden met hetgeen in paragraaf 3 van hoofdstuk IV van de Abw omtrent in aanmerking te nemen vermogen is bepaald.
De gedingstukken laten zien dat gedaagde de drie bedragen waarop appellant aanspraak had maar die hij eerst in de maanden november en december 1996 en januari 1997 feitelijk heeft ontvangen (totaal f 33.892,89), alle als inkomen heeft bestempeld met betrekking tot het jaar 1996.
De Raad acht dat niet juist, voorzover het gaat om de bedragen die appellant van de Stichting [X.] en de [Y.] B.V. heeft ontvangen. Op grond van de gedingstukken en de van de zijde van appellant verstrekte toelichting stelt de Raad vast dat deze bedragen, tezamen f 24.292,89, geen betrekking hebben op het jaar 1996. Dat is anders voor de in januari 1997 aan appellant betaalde werkbeurs, die wel als inkomen met betrekking tot het jaar 1996 kan worden beschouwd, maar uitsluitend voorzover dat binnen de grenzen van artikel 45 van Pro de Abw mogelijk is.
De door gedaagde in beroep en in hoger beroep gepresenteerde berekeningen ter onderbouwing van het terugvorderingsbesluit, dat ten onrechte niet de hoogte van het terug te vorderen bedrag vermeldt, zijn dan ook onjuist.
Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit wegens strijd met de wet niet kan worden gehandhaafd en voor vernietiging in aanmerking komt.
Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
De Raad acht in dit geding termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- in beroep en op f 1.775,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
in het geding nummer 98/8401 NABW:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
in het geding nummer 00/1431 NABW:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f 3.195,--, te betalen door de gemeente Groningen;
Gelast de gemeente Groningen aan appellant het betaalde griffierecht in beroep ad f 60,-- en in hoger beroep ad f 170,-- (totaal f 230,--) te vergoeden.
Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
JdB
1405