ECLI:NL:CRVB:2001:AD3438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- A. Beuker-Tilstra
- P.G.M. Zwartkruis
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag op grond van artikel 99 ARAR met uitkering volgens Rijkswachtgeldbesluit
Appellant was sinds 1 januari 1988 in dienst bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en heeft tot 1993 diverse functies vervuld. In 1993 vond overleg plaats over een vertrekregeling, waarna appellant buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging kreeg. Pogingen tot herplaatsing bleken zonder resultaat, waarna appellant per 1 januari 1998 eervol ontslag kreeg op grond van artikel 99 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), met een uitkering overeenkomstig het Rijkswachtgeldbesluit 1959.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het ontslag en de uitkering ongegrond. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat zowel gedaagde als appellant inspanningen hebben geleverd om herplaatsing mogelijk te maken. Appellant heeft geen aannemelijk bewijs geleverd dat passende functies beschikbaar waren of dat hij voldoende stappen heeft ondernomen om die te verkrijgen.
De Raad merkt op dat appellant geen rechtsmiddelen heeft ingezet tegen onwelgevallige besluiten omtrent zijn loopbaan, behalve een bezwaarschrift in 1994. De uitkeringsregeling, hoewel gewijzigd sinds 1996, is redelijk en in overeenstemming met de omstandigheden, mede gezien het korte dienstverband en de periode van bezoldiging zonder arbeidsprestatie.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank in stand blijven en dat geen gronden aanwezig zijn voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het ontslag met uitkering volgens artikel 99 ARAR en het Rijkswachtgeldbesluit blijft gehandhaafd.