ECLI:NL:CRVB:2001:AD3850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- D.J. van der Vos
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens carrièrebreuk na intrekking vervoersvoorziening
Appellante, rolstoelgebonden wegens heupklachten, kreeg op grond van de oude AAW een vervoersvoorziening toegekend die in 1992 onrechtmatig werd ingetrokken zonder passende taxikostenvergoeding. Na juridische procedures werd de onrechtmatigheid erkend en een vergoeding toegekend voor diverse kosten, maar niet voor inkomensschade door carrièrebreuk of immateriële schade.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde inkomensschade. De carrièrebreuk wordt vooral toegeschreven aan het voornemen van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, mede veroorzaakt door het stopzetten van de vrijwillige taxikostenvergoeding.
Ten aanzien van immateriële schade oordeelt de Raad dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geestelijk letsel heeft geleden dat een aantasting van haar persoon vormt volgens artikel 6:106 BW Pro. Ook de gevorderde proceskosten worden slechts forfaitair toegekend conform artikel 8:75 Awb Pro, waarbij vergoeding van hogere kosten niet mogelijk is.
De Raad wijst het verzoek om verwijzing naar de burgerlijke rechter af en bevestigt de aangevallen uitspraak, waarmee het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd, waarbij geen vergoeding wordt toegekend voor inkomensschade, immateriële schade of hogere proceskosten.