ECLI:NL:CRVB:2001:AD7128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten bijstandsuitkering wegens onjuiste gezamenlijke huishouding
Appellante en appellant ontvingen beiden een bijstandsuitkering volgens de norm voor alleenstaande ouders. De gemeente Rotterdam wijzigde en beëindigde deze uitkeringen op grond van een onderzoek dat stelde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden met ingang van 1 april 1997.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond en oordeelde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden omdat hun woonruimten als één woning moesten worden beschouwd. In hoger beroep betwistten appellanten dit oordeel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de woonruimten van appellanten zelfstandige woningen zijn, elk met eigen toegang en voorzieningen, en dat de aanwezigheid van verbindingsdeuren en gezamenlijke nutsvoorzieningen onvoldoende is om van één woning te spreken. Tevens was onvoldoende aannemelijk dat zij de facto samenwoonden.
Daarom vernietigde de Raad de bestreden besluiten en bepaalde dat de gemeente nieuwe besluiten op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werden de proceskosten aan de gemeente opgelegd.
Uitkomst: De bestreden besluiten worden vernietigd en de gemeente dient nieuwe besluiten op bezwaar te nemen.