ECLI:NL:CRVB:2001:AD8035
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- G.J.H. Doornewaard
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinaire maatregel voorwaardelijk ontslag wegens belangenverstrengeling politieambtenaar
Appellant, een politiebrigadier werkzaam in milieuzaken, werd door de korpsbeheerder gestraft met voorwaardelijk ontslag en inhouding van salaris wegens plichtsverzuim: het verrichten van betaalde nevenactiviteiten en het zijn van vennoot in vennootschappen die milieudiensten aanbieden in het gebied waar hij toezicht hield.
De rechtbank vernietigde het besluit deels, omdat niet alle feiten bewezen waren, en bepaalde dat de korpsbeheerder een nieuw besluit moest nemen over de strafmaat. De korpsbeheerder herzag het besluit en schrapte de inhouding van salaris, maar handhaafde het voorwaardelijk ontslag.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant door zijn betrokkenheid bij vennootschappen die actief waren op het terrein waar hij toezicht hield, het aanzien van het politieambt heeft geschaad en daarmee artikel 66 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie heeft overtreden. Ook het niet volledig melden van nevenactiviteiten aan zijn meerdere vormt een plichtsverzuim.
De Raad acht de opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag met ruime proeftijd passend gezien de ernst van de gedragingen en bevestigt het besluit van 7 december 1999. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het voorwaardelijk ontslag wordt bevestigd.