ECLI:NL:CRVB:2001:AD8055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheidsindeling en inkomenscorrecties bij zelfstandige in AAW-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen de indeling in arbeidsongeschiktheidsklassen door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (LISV) over de periode 1996-1997. De discussie betrof de correctie van het inkomen, waarbij appellant rente-inkomsten en huuropbrengsten niet als arbeidsinkomsten erkend wilde zien. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Raad overwoog dat de fiscale keuze van appellant om rente- en huuropbrengsten als winst van de maatschap te verantwoorden leidend is. Er was geen grond om hiervan af te wijken. Voor de periode 1996 werd appellant terecht ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. Voor 1997 werd de indeling gebaseerd op een middeling van arbeidsongeschiktheidspercentages over 1994-1996, conform het beleid na drie jaar toepassing van artikel 33 AAW Pro.
Appellant voerde aan dat alleen 1996 representatief was vanwege wijziging in het maatschapscontract, maar de Raad vond dit geen bijzonder geval dat middeling uitsluit. Het beleid om bij zelfstandigen het inkomen over drie jaar te middelen is gerechtvaardigd vanwege inkomensfluctuaties. De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat de indeling en inkomensberekening rechtmatig zijn.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklassen en de inkomensberekening correct is toegepast.