ECLI:NL:CRVB:2001:AD8576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vermindert boete wegens recidive bij werkgeverspremies
Appellante, een werkgever, kreeg een boete van 25% opgelegd wegens het niet tijdig melden van een wijziging in de loonsom over 1998. Deze boete werd bevestigd door de rechtbank, waarna appellante in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad toetste of sprake was van recidive en stelde vast dat volgens artikel 5 van Pro het Boetebesluit een periode van vijf jaar geldt vanaf het moment van oplegging van een eerdere boete. Omdat het eerdere verzuim uit 1993 niet binnen deze termijn viel en er toen geen boete was opgelegd, werd dit niet als recidive meegeteld.
De Raad oordeelde dat het verzuim in 1996 leidend is voor de recidivebeoordeling en dat in dit geval sprake is van een tweede verzuim. Gezien het Toepassingsbesluit moet bij een tweede verzuim zonder opzet of grove schuld een boete van 3% van de premie worden opgelegd, met een maximum van f 3.000.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en stelde de boete vast op f 1.462,77. Tevens veroordeelde de Raad het Landelijk instituut sociale verzekeringen tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: Boete vastgesteld op f 1.462,77 wegens tweede verzuim, met vergoeding van proceskosten en griffierecht.