ECLI:NL:CRVB:2001:AD9475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonbetalingsverplichting bij arbeidsongeschiktheid en betalingsonmacht werkgever
De zaak betreft een werknemer die sinds november 1996 wegens ziekte zijn werk niet meer verricht en een WAO-uitkering ontvangt. De werkgever betaalde het loon gedeeltelijk door tot februari 1997, daarna stopte de betaling. De werknemer verzocht het UWV om overname van loonbetalingsverplichtingen op grond van de WW, maar dit werd geweigerd wegens het ontbreken van blijvende betalingsonmacht van de werkgever.
De rechtbank oordeelde dat wel een datum van opzegging kon worden vastgesteld, namelijk 9 augustus 1997, toen de loonbetaling stopte. De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel en stelt dat vanwege de arbeidsongeschiktheid van de werknemer en het ontslagverbod tijdens ziekte geen redelijke verplichting bestaat om een datum van opzegging aan te wijzen.
De Raad verwijst naar de Europese richtlijn 80/987 en het ontslagverbod tijdens ziekte, en benadrukt dat de bescherming van arbeidsongeschikte werknemers niet mag afhangen van de wijze van beëindiging van het dienstverband. Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en het eerdere besluit vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en het eerdere besluit vernietigd.