ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot herziening AAW-uitkeringsbesluit op grond van nieuwe feiten
Gedaagde had een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangevraagd met ingang van 3 oktober 1993, terwijl hij meende dat de uitkering eerder had moeten ingaan. Appellant, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, weigerde terug te komen op het eerdere besluit omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd, stellende dat appellant onvoldoende onderzoek had gedaan naar evidente onjuistheden in het eerdere besluit. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat appellant bevoegd was het verzoek tot herziening af te wijzen omdat gedaagde geen nieuwe feiten of omstandigheden had vermeld die niet reeds bekend waren bij het eerdere besluit.
De Raad stelt dat de brief van gedaagde met vermeende nieuwe feiten al bekend was voordat het besluit werd genomen en dat appellant het verzoek met de vereiste zorgvuldigheid heeft behandeld. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot weigering herziening AAW-uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.