Uit de stukken leidt de Raad af dat betrokkene van 1981 tot ongeveer 1990, in
welke periode hij het in financiële nood verkerende Y er bovenop hielp, naar
tevredenheid functioneerde. Het verslag van het beoordelingsgesprek met
betrokkene in 1989 geeft daar ook blijk van. Voorts is aan betrokkene in juni
1990, gelet op de arbeidsmarkt, een zogeheten koop- en behoudtoelage toegekend
met een termijn van vijf jaar, waaruit minst genomen blijkt dat men betrokkene
voorlopig voor de dienst wilde behouden. Uit de stukken komt ook naar voren dat
betrokkene gedurende een reeks van jaren door het bestuur in de praktijk grote
vrijheid van handelen werd gelaten waar het de bedrijfsvoering van het Y betrof.
De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat betrokkene er op enig moment
uitdrukkelijk op is gewezen dat aan die periode een einde was gekomen, niet bij
de komst van een nieuwe wethouder in 1986 en ook niet bij het aantreden van de
Bestuursdienst per 1 mei 1990. Het vorenstaande neemt niet weg dat ook voor de
Raad duidelijk is geworden dat betrokkene niet altijd een juiste inschatting van
zijn positie had en, door op sommige momenten te kiezen voor een formele
opstelling, niet steeds een positieve bijdrage heeft geleverd aan de onderlinge
verhoudingen. Zo doet de stelling van betrokkene dat hij zich nimmer heeft
verzet tegen genomen bestuursbesluiten en de uitvoering daarvan, maar dat het
hem vrijstond voorgenomen bestuursbesluiten ter discussie te stellen, onvoldoende recht
aan het besluitvormingsproces binnen de gemeente, waarin ook de uitvoering van
principe-besluiten door ambtenaren als betrokkene loyaal ter hand behoort te worden
genomen. Voor het - plotselinge - oordeel dat betrokkene kennelijk behept is met
eigenschappen van karakter, geest en gemoed die hem ongeschikt doen zijn voor
de vervulling van zijn functie, biedt dit toch bepaald onvoldoende basis.
De vier hiervoor genoemde verklaringen geven weliswaar een indruk van hoe
betrokkenes optreden soms werd beleefd, maar zij bevatten, mede gelet op de
gemotiveerde betwisting daarvan door betrokkene, naar het oordeel van Raad
evenwel volstrekt onvoldoende objectieve gegevens om het standpunt, dat
betrokkene niet beschikte over voldoende contactuele vaardigheden en overigens
ongeschikt was voor zijn functie, staande te kunnen houden. Dit geldt eveneens
voor het in juni 1991 gehouden beoordelingsgesprek. De discussienota aan de hand
waarvan gesproken is en het verslag van dit gesprek doen zien dat geen
gebruikelijk beoordelingsgesprek is gevoerd, maar dat betrokkene duidelijk is
gemaakt dat de samenwerking met de wethouder te wensen overliet. Daaruit blijkt
niet dat betrokkene de gelegenheid is geboden de gesignaleerde tekortkomingen in
zijn functioneren te verbeteren.