ECLI:NL:CRVB:2002:4
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T. Hoogenboom
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing afgeleide NAVO-Status wegens niet-inwoning echtgenoot
Appellant, een beroepsmilitair, had verzocht om afgeleide NAVO-Status toe te kennen nadat hij was overgeplaatst van Duitsland naar Nederland, terwijl zijn echtgenote en kind in Duitsland bleven wonen. De afwijzing van dit verzoek werd door de rechtbank bevestigd, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad overwoog dat het NAVO-Statusverdrag en de aanvullende Overeenkomst tussen Nederland en Duitsland de basis vormen voor de regeling van de rechtspositie van militairen en hun gezinsleden in NAVO-verband. De Regeling verkrijging NAVO-status (RVN) stelt dat de afgeleide NAVO-Status vervalt indien de echtgenoot niet langer inwoont bij de hoofd NAVO-Status gerechtigde, waarbij inwoning betekent ten minste 270 nachten per jaar samenwonen.
De Raad oordeelde dat deze eis niet in strijd is met het Verdrag of de Overeenkomst en dat het belang van het voorkomen van misbruik van fiscale voordelen een beperkte interpretatie van het begrip inwonend echtgenoot rechtvaardigt. De stelling van appellant dat de eis discriminerend is of dat vanwege bijzondere omstandigheden van de regeling afgeweken moet worden, werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om afgeleide NAVO-Status bevestigd.