ECLI:NL:CRVB:2002:AD8575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.G. Treffers
- R.M. Van Male
- Rechtspraak.nl
Herstel nabestaandenuitkering na onterecht intrekken wegens vermeende gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank trok deze uitkering per 1 november 1997 in, omdat appellant en [C.] naar haar mening een gezamenlijke huishouding voerden, wat volgens artikel 16 van Pro de Anw het recht op uitkering beëindigt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Uit het onderzoek bleek dat appellant vanaf oktober 1997 gedetineerd was, waardoor hij feitelijk niet in dezelfde woning verbleef als [C.]. Hoewel zij op papier samenwoonden, was er door de detentie geen feitelijke gezamenlijke huishouding.
De Raad stelt vast dat de intrekking van de uitkering onterecht was omdat de omstandigheid die het recht op uitkering beëindigt (gezamenlijke huishouding) zich niet meer voordeed op de ingangsdatum van de intrekking. Het besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit. Tevens wordt de Sociale verzekeringsbank veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 november 1997 wordt vernietigd en de uitkering wordt hersteld.