ECLI:NL:CRVB:2002:AD9259
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belanghebberschap bij vergoeding persoonlijke ondersteuning arbeidsgehandicapte
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld van een besloten vennootschap (appellante) tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (gedaagde) dat de vergoeding van persoonlijke ondersteuning aan een arbeidsgehandicapte niet toekent. De rechtbank had het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet als belanghebbende werd gezien.
Appellante voerde aan dat zij wel degelijk belanghebbende was omdat zij de persoonlijke ondersteuning uitvoerde, de vergoeding rechtstreeks incasseerde en afspraken had met gedaagde over declaraties. De Raad overwoog echter dat de rechtsbetrekking die aan de vergoeding ten grondslag ligt, uitsluitend tussen de arbeidsgehandicapte en gedaagde bestaat en dat appellante slechts een privaatrechtelijke overeenkomst met de arbeidsgehandicapte heeft.
De Raad concludeerde dat appellante geen rechtstreeks belang heeft bij het bestreden besluit en bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Tevens werd gewezen op eerdere jurisprudentie waarin soortgelijke situaties aan de orde waren en waarin het belanghebberschap van derden werd ontkend.
De uitspraak benadrukt het belang van de directe rechtsbetrekking tussen belanghebbende en bestuursorgaan voor het instellen van beroep en verduidelijkt de reikwijdte van artikel 1:2 Awb Pro in het kader van sociale zekerheidsvoorzieningen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende is bij het bestreden besluit.