ECLI:NL:CRVB:2002:AD9451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit korting AAW-uitkering wegens loonbetaling directeur BV
Appellant, directeur van een BV en melkveehouder, ontving een AAW-uitkering vanaf 20 mei 1996. Het UWV paste een korting toe op deze uitkering over de periode 20 mei 1996 tot 1 januari 1997, omdat appellant in die periode een volledig loon ontving en daardoor geen sprake zou zijn van verlies aan verdiencapaciteit. Appellant stelde dat zijn feitelijke arbeidsinbreng slechts 50% van het loon vertegenwoordigde en dat de doorbetaling van het volledige loon een voorschot was op de AAW-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het loon zoals door de fiscus aanvaard, leidend is. De Centrale Raad van Beroep overweegt echter dat dit uitgangspunt niet zonder meer toepasbaar is op een directeur die tegen vooraf overeengekomen beloning in dienst is bij een BV. De Raad hecht belang aan de medische en arbeidskundige rapporten die een arbeidsbeperking van 50% bevestigen.
De Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende diepgaand onderzoek heeft verricht naar de feitelijke arbeidsinbreng en dat de enkele doorbetaling van het volledige loon onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 33 AAW Pro. Daarom kan het kortingsbesluit niet in stand blijven en wordt het vernietigd. Tevens worden de terugvorderings- en invorderingsbesluiten vernietigd. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden kortingsbesluit en de daarop gebaseerde terugvorderings- en invorderingsbesluiten worden vernietigd wegens onvoldoende onderzoek door het UWV.