ECLI:NL:CRVB:2002:AE2448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.C. van Sloten
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van gefaseerde intrekking WW-uitkering en terugvordering
Appellant, voormalig werknemer en zelfstandige, ontving een WW-uitkering die gefaseerd werd beëindigd op basis van een opsporingsonderzoek naar zijn zelfstandige werkzaamheden. Het besluit tot intrekking en terugvordering werd mede gebaseerd op een overzicht van werkzaamheden dat deels was samengesteld uit in beslag genomen administratie die niet in het dossier aanwezig was.
De Raad oordeelt dat de ontbrekende administratie niet als bewijs kan dienen en dat het overzicht slechts summier is. De aanwezige gegevens rechtvaardigen wel dat appellant vanaf begin 1991 een volledige dagtaak had aan zijn zelfstandige werkzaamheden, waardoor het recht op WW-uitkering toen is geëindigd. Voor 1990 is onvoldoende aannemelijk dat appellant fulltime als zelfstandige werkte, zodat een volledige intrekking in dat jaar niet gerechtvaardigd is.
De gefaseerde intrekking van de uitkering zoals neergelegd in het bestreden besluit kan daarom niet worden gehandhaafd, waardoor ook de terugvordering geen stand houdt. De Raad beveelt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze overwegingen.
Verder wijst de Raad het beroep van appellant af dat er geen sprake is van toedoen bij onverschuldigde betaling, en verwerpt bezwaren op grond van proportionaliteit en het una-via-beginsel. De Raad veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant en bepaalt vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en gedaagde moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.