ECLI:NL:CRVB:2005:AU0240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens zelfstandige werkzaamheden
De zaak betreft een geschil over de intrekking en terugvordering van een WW-uitkering aan appellant, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 28 augustus 2000. De rechtbank had eerder geoordeeld dat appellant vanaf 15 januari 2001 volledig werkzaam was in zijn manegebedrijf, maar onvoldoende bewijs was geleverd over de periode van 28 augustus 2000 tot 15 januari 2001.
Appellant stelde dat zijn werkzaamheden in die periode marginaal en hobbymatig waren, en dat het recht op WW-uitkering niet was geëindigd, of dat dit pas later het geval was. Het Uwv betwistte dit en stelde dat appellant minimaal 20 uur per week als zelfstandige werkte.
De Raad oordeelde dat appellant vanaf het voorjaar 2000 al volop werkzaam was in zijn onderneming, wat een volledige dagtaak impliceert. Appellant had onvoldoende openheid gegeven over zijn werkzaamheden. De Raad concludeerde dat appellant vanaf 28 augustus 2000 werkzaamheden verrichtte die het recht op WW-uitkering deden eindigen. De intrekking van de uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen zijn daarom terecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering per 28 augustus 2000 wordt bevestigd.