ECLI:NL:CRVB:2002:AE3703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag na beëindiging dienstverband en vertrek naar Spanje
Appellant, een Spaanse staatsburger, werkte tot april 1992 voor Nederlandse werkgevers aan boord van Nederlandse zeeschepen. Na beëindiging van zijn dienstverband keerde hij terug naar Spanje en ontving daar een uitkering. De Sociale Verzekeringsbank weigerde kinderbijslag voor de periode vanaf het derde kwartaal van 1992 tot en met het eerste kwartaal van 1996, omdat appellant niet langer verzekerd was volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank vernietigde het besluit deels, maar handhaafde de rechtsgevolgen en oordeelde dat appellant vanaf het vierde kwartaal van 1992 geen aanspraak had op kinderbijslag. In hoger beroep betoogde appellant dat hij op grond van artikel 7 van Pro KB 164 verzekerd bleef en dat hij ook na 27 juli 1992 onderworpen bleef aan het Nederlandse stelsel vanwege een uitkering van zijn voormalige werkgever.
De Raad oordeelde dat appellant niet onder de tijdelijke werkonderbreking viel zoals bedoeld in KB 164, omdat zijn dienstverband definitief was beëindigd. Tevens was appellant vanaf eind juli 1992 niet langer onderworpen aan de Nederlandse wetgeving op grond van de EEG-Verordening 1408/71. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal 1992.