ECLI:NL:CRVB:2002:AE3900
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- W.D.M. van Diepenbeek
- G.L.M.J. Stevens
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs calamiteiten
Eiser heeft in maart 1997 een aanvraag ingediend voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan gebeurtenissen tijdens de Japanse bezetting in Nederlands-Indië. Hij stelde dat hij gedwongen huisuitzettingen heeft meegemaakt, getuige was van een moord en in een beschermingskamp te Tjimahi verbleef.
Verweerster wees de aanvraag af omdat de gedwongen verhuizingen niet als tegen eiser gerichte maatregelen konden worden aangemerkt, de moord niet bevestigd kon worden en het verblijf in het beschermingskamp niet onder de Wet viel. Eiser voerde aan dat de verhuizingen calamiteiten waren, dat hij bewijs had voor de moord en dat hij in een ander kamp verbleef.
De Raad oordeelde dat de verhuizingen niet onder bedreigende omstandigheden plaatsvonden en niet specifiek tegen eiser gericht waren, waardoor ze niet als calamiteiten kwalificeren. De moord was wel bewezen, maar eisers aanwezigheid werd niet bevestigd buiten zijn eigen verklaring. Het verblijf in het beschermingskamp was vrijwillig en viel niet onder de Wet.
Daarom was de afwijzing terecht en het beroep ongegrond. De Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af. De uitspraak werd op 21 maart 2002 openbaar uitgesproken door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.