ECLI:NL:CRVB:2002:AE3914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag gesloten buitenwagen wegens ontbreken medische noodzaak
Appellant vroeg op 10 december 1997 bij het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam een gesloten buitenwagen aan. Deze aanvraag werd bij besluit van 16 juli 1998 afgewezen op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de gemeentelijke Verordening voorzieningen gehandicapten Rotterdam 1994. De afwijzing was gebaseerd op het advies van Zorgvoorzieningen Nederland N.V. (ZVN) uit 1996, waarin werd geconcludeerd dat de reeds toegekende voorzieningen, namelijk deelname aan het collectief vervoerssysteem 'Vervoer op Maat' en een scootmobiel, adequaat waren en dat er geen medische noodzaak was voor een gesloten buitenwagen.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 26 januari 1999 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en oordeelde dat appellant geen medische redenen had om geen gebruik te kunnen maken van het collectief vervoer en scootmobiel. De klacht over het niet op tijd rijden van het collectief vervoer en het vermeende sociaal isolement werden door de rechtbank verworpen.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn gezondheidstoestand was verslechterd en dat het College zich onterecht baseerde op verouderde medische gegevens. Tevens stelde hij dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om zijn aanvraag toe te lichten, omdat geen huisbezoek was afgelegd en hij niet was opgeroepen voor een spreekuur. Het College handhaafde haar standpunt dat de beperkingen van appellant niet zodanig waren dat hij geen gebruik kon maken van de reeds toegekende voorzieningen.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hoewel het medische advies waarop het besluit was gebaseerd ouder was dan gebruikelijk, waren er geen concrete medische gegevens overgelegd die twijfel konden zaaien over de juistheid van dat advies. Bovendien maakte appellant feitelijk regelmatig gebruik van het collectief vervoer en scootmobiel. Er waren geen bijzondere omstandigheden die aanleiding gaven om af te wijken van het besluit. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Uitkomst: De aanvraag voor een gesloten buitenwagen wordt afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak.