ECLI:NL:CRVB:2002:AE3939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.G.M. Simons
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging besluit beëindiging algemene bijstand wegens onjuiste inkomensgrondslag
Gedaagde en zijn echtgenote zijn in 1997 failliet verklaard en hebben een huurwoning betrokken. De echtgenote begon op 19 juni 1997 met werken. Het College van B&W Amsterdam kende gedaagde bijstand toe van 4 april tot 18 juni 1997, maar beëindigde deze per 19 juni 1997 vanwege vermeende inkomsten boven de bijstandsnorm.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van gedaagde tegen deze beëindiging gegrond en vernietigde het besluit. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat het besluit gebaseerd was op een onjuiste feitelijke grondslag, omdat het vermeende inkomen pas vanaf september 1997 bestond.
De Raad oordeelt dat gedaagde en zijn echtgenote daadwerkelijk over inkomen beschikten dat hoger was dan de bijstandsnorm in de periode van 19 tot 30 juni 1997, waardoor geen recht op bijstand bestond. De Raad bevestigt daarom de vernietiging van het besluit, behoudens de verplichting tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand en er wordt griffierecht geheven.
Uitkomst: De vernietiging van het besluit tot beëindiging van de algemene bijstand wordt bevestigd, met handhaving van de rechtsgevolgen en oplegging van griffierecht.