ECLI:NL:CRVB:2002:AE4598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Th.G.M. Simons
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na arbeidsongeschiktheid en WSW-werkzaamheden
Appellant ontving sinds 1990 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid met een mate van 25 tot 35%. Na intrekking van deze uitkering in 1994 en het aanvaarden van een WSW-dienstverband in 1995, werd zijn WAO-uitkering vanaf 1996 herzien en berekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, gedeeltelijk uitbetaald vanwege inkomsten uit zijn WSW-werk.
In 1998 besloot het UWV de toepassing van artikel 44 WAO Pro te beëindigen en de uitkering te herzien naar 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid, gevolgd door een schorsing van de uitkering in 1999. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het maatmaninkomen op zijn oorspronkelijke metselaarloon moest worden gebaseerd vanwege toepassing van artikel 43a WAO (Wet Amber).
De rechtbank en de Raad oordeelden dat de maatman voor appellant moest worden vastgesteld op basis van zijn WSW-arbeid, aangezien hij zijn WAO-verzekering ontleent aan deze arbeid en dat artikel 43a WAO geen specifieke regeling bevat voor maatmanbepaling. De besluiten tot herziening en schorsing van de uitkering werden daarom bevestigd.
De Raad wees ook op het ontbreken van een wettelijke grondslag voor het door appellant bepleite gebruik van het hogere loon uit zijn vroegere functie als metselaar en verwierp de argumenten omtrent de Tica-mededeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en schorsing van de WAO-uitkering op basis van het maatmaninkomen uit WSW-arbeid.