ECLI:NL:CRVB:2002:AE4696
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging drankverbod militair ter handhaving scheepsveiligheid en paraatheid
Appellant, een sergeant der Koninklijke Marine, werd tuchtrechtelijk gestraft omdat hij op 3 december 1994 onder werktijd in kennelijke staat van dronkenschap werd aangetroffen aan boord van een schip. De commandant legde hem daarop een tijdelijk algeheel verbod op het gebruik van alcoholhoudende dranken op, gebaseerd op het voorschrift 1VVKM2, dat de scheepsveiligheid en operationele paraatheid moet waarborgen.
Appellant stelde dat het drankverbod een ontoelaatbare inbreuk maakte op zijn persoonlijke levenssfeer, met verwijzing naar artikel 10 Grondwet Pro, artikel 8 EVRM Pro en artikel 17 IVBPR Pro. De Raad erkende dat het verbod de persoonlijke levenssfeer beperkt, maar oordeelde dat het verbod een genoegzame wettelijke grondslag heeft, ontleend aan het Voorschrift betreffende de scheepsorganisatie en de bevoegdheid van de Minister van Defensie volgens artikel 44 Grondwet Pro.
De Raad benadrukte het bijzondere gewicht van de persoonlijke levenssfeer, maar stelde dat het belang van de scheepsveiligheid en de operationele paraatheid zwaarder woog, zeker gezien de functie van appellant als beheerder van het wapenmagazijn en de beperkte duur van het verbod. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het drankverbod tegen appellant wordt bevestigd als rechtmatig en proportioneel.