ECLI:NL:CRVB:2002:AE5898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.D.M. van Diepenbeek
- H.R. Geerling-Brouwer
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens niet-causale rugklachten
Eiser heeft in augustus 1994 een verzoek ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van rugklachten die hij toeschrijft aan zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiapperiode in voormalig Nederlands-Indië. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees dit verzoek in 1995 af, omdat de rugklachten niet werden geacht te zijn veroorzaakt door de oorlogsomstandigheden. Dit oordeel werd bevestigd in bezwaar en bij een verzoek om herziening in 1998.
Eiser voerde in het beroepschrift aan dat er wel degelijk sprake is van een causaal verband en betwistte de medische adviezen waarop de Raad zich baseerde. Hij stelde dat de omgekeerde bewijslast toegepast moest worden, omdat de exacte oorzaak van de rugklachten niet vaststaat. De Centrale Raad van Beroep overwoog echter dat de omgekeerde bewijslast niet van toepassing is bij een verzoek om herziening van een eerder definitief besluit en dat nieuwe medische verklaringen in de beroepsfase niet in aanmerking kunnen worden genomen.
De Raad concludeerde dat de Pensioen- en Uitkeringsraad niet onredelijk heeft gehandeld en dat het besluit om niet tot herziening over te gaan deugdelijk is voorbereid en gemotiveerd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.