ECLI:NL:CRVB:2002:AE6140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- M.M. van der Kade
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van ontslaguitkering zonder compensatie voor verlies IZA-deelnemerschap en pensioenopbouw
Appellant werd per 1 mei 1993 ontslagen uit de gemeentelijke dienst en kreeg een ontslaguitkering toegekend die aanvankelijk als te laag werd beoordeeld. Na een eerdere uitspraak waarin werd vastgesteld dat de uitkering minimaal gelijk moest zijn aan die krachtens de Wachtgeldverordening, werd een aanvullende uitkering toegekend. Appellant stelde in hoger beroep dat bij de vaststelling van de uitkering ook rekening had moeten worden gehouden met het verlies van zijn deelnemerschap in het Instituut Zorgverzekering Ambtenaren Nederland (IZA) en de pensioenopbouw volgens de Algemene burgerlijke pensioenwet (ABP-wet).
De Raad overwoog dat de rechtbanksopmerking over het verlies van IZA-deelnemerschap niet bindend is en dat de Wachtgeldverordening niet voorziet in compensatie voor dergelijke rechten. Omdat noch het IZA-deelnemerschap noch de pensioenopbouw via de ABP-wet onderdeel zijn van de Wachtgeldverordening, behoeven deze niet te worden gecompenseerd in de ontslaguitkering. De Raad concludeerde dat de uitkering niet minder mag zijn dan die volgens de Wachtgeldverordening, maar niet verplicht is tot aanvullende compensaties.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde hiermee de eerdere uitspraak en wees het beroep van appellant af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitkering voldoet niet aan de minimumnorm omdat de eerste uitkeringsmaand 70% bedroeg in plaats van 93%, maar dit was reeds vastgesteld en blijft ongewijzigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ontslaguitkering niet hoeft te compenseren voor het verlies van IZA-deelnemerschap en pensioenopbouw.