ECLI:NL:CRVB:2002:AE6166
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering leenbijstand zelfstandige en bestuursrechtelijke bevoegdheid
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de terugvordering van leenbijstand verstrekt aan een zelfstandige. De gemeente Maastricht had bijstand verleend in de vorm van renteloze leningen, die na definitieve vaststelling deels werden omgezet in een bedrag om niet en deels werden teruggevorderd. De gemeente verklaarde het bezwaar van de belanghebbende tegen de terugvordering niet-ontvankelijk, wat door de rechtbank onterecht werd geoordeeld.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de terugvordering van leenbijstand een bestuursrechtelijke aangelegenheid is, omdat het besluit tot terugvordering een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de gemeente bevoegd is om inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. De Raad bevestigt dat de terugvordering niet kan worden aangemerkt als een besluit ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling.
Verder oordeelt de Raad dat de gemeente eerst moet vaststellen of de belanghebbende niet of onvoldoende heeft voldaan aan de terugbetalingsverplichtingen. Indien dat het geval is, kan de terugvordering gehandhaafd blijven, tenzij dringende redenen zich voordoen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen spoedeisend belang aanwezig is.
De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb Pro af. De Raad benadrukt het belang van een zorgvuldige bestuursrechtelijke procedure bij terugvordering van bijstand in de vorm van leningen aan zelfstandigen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de gemeente bevoegd is om inhoudelijk te beslissen over de terugvordering van leenbijstand en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.