ECLI:NL:CRVB:2002:AE6178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag algemene bijstand bij niet tijdige verlenging verblijfsvergunning
Appellant, met de Zaïrese nationaliteit, beschikte over een verblijfsvergunning die op 24 september 1997 verliep. Hij was van 10 april 1997 tot 12 juli 1999 in Frankrijk gedetineerd en vroeg op 23 juli 1999 opnieuw een verblijfsvergunning aan. Dit verzoek werd buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. Vervolgens vroeg appellant op 6 september 1999 algemene bijstand aan bij het College van burgemeester en wethouders van Tilburg, welke aanvraag bij besluit van 12 november 1999 werd afgewezen. De bezwaarprocedure leidde tot een bevestiging van deze afwijzing.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij gelijkgesteld moest worden aan een Nederlander op grond van artikel 7 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw), ondanks het feit dat hij niet tijdig een verzoek om voortgezette toelating had ingediend. De Raad oordeelde dat een niet tijdige aanvraag om voortgezette toelating, zonder dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) deze termijnoverschrijding verschoonbaar acht, niet leidt tot gelijkstelling en dus geen recht op bijstand geeft.
De Raad verwierp ook het argument van appellant dat het onderscheid tussen vreemdelingen die wel en niet tijdig een aanvraag hebben gedaan, een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit zou vormen in strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag voor burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Breda en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op algemene bijstand vanwege het niet tijdig indienen van een verzoek om voortgezette toelating en het ontbreken van een verschoonbare termijnoverschrijding.