ECLI:NL:CRVB:2002:AE6828
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak over toepassing artikel 40 en 44 WAO bij herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en een WAO-gerechtigde over de toepassing van artikel 40 en Pro 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De gedaagde ontvangt sinds 1992 een WAO-uitkering, die in 1993 werd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Het UWV paste tussen 1995 en 1998 kortingen toe op de uitkering op grond van artikel 44 WAO Pro vanwege tijdelijke werkzaamheden van de gedaagde.
In 1998 herzag het UWV de uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% en handhaafde het de eerdere toepassing van artikel 44 WAO Pro, waardoor geen herberekening van het dagloon plaatsvond volgens artikel 40 WAO Pro. De rechtbank oordeelde dat artikel 40 WAO Pro een imperatieve bepaling is en dat de nadere regelen uit de beschikking van 1982 uitsluitend voor WSW-ers gelden, waardoor het UWV ten onrechte artikel 40 niet Pro toepaste.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat artikel 2 van Pro de beschikking niet beperkt is tot WSW-ers en dat de inhoud van de beschikking zich verzet tegen een dergelijke beperking. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van het UWV alsnog ongegrond. Hiermee wordt bevestigd dat de toepassing van artikel 44 WAO Pro in de gegeven omstandigheden de toepassing van artikel 40 WAO Pro uitsluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van het UWV ongegrond.