ECLI:NL:CRVB:2002:AE7043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.D.M. van Diepenbeek
- H.R. Geerling-Brouwer
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken calamiteiten
Eiseres verzocht in augustus 1998 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde gezondheidsklachten te hebben opgelopen door haar verplichte lidmaatschap van de Hitlerjugend, haar verblijf in Lüneburg en Leisnig, en door bombardementen in Dresden.
Verweerster wees het verzoek af omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wet. De Raad toetste of de door eiseres genoemde omstandigheden als calamiteiten konden worden aangemerkt. Uit onderzoek bleek dat algemene oorlogsomstandigheden niet als calamiteiten gelden en dat het verplichte lidmaatschap en verblijf berustten op formeel Duits recht, niet op vijandelijke maatregelen.
Ook kon het verblijf in het internaat en de betrokkenheid bij bombardementen niet worden bevestigd. Medisch bewijs voor letsel door een granaatscherf ontbrak. De Raad onderschreef het standpunt van verweerster dat eerst calamiteiten moeten worden vastgesteld alvorens medisch advies wordt ingewonnen.
Gelet hierop verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. Het bestreden besluit bleef daarmee in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.