ECLI:NL:CRVB:2002:AE7074
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- H.J. Simon
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of brief van 24 december 1998 een besluit is in de zin van de Awb
In deze zaak staat centraal of een brief van 24 december 1998, verzonden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief verwees naar eerdere besluiten tot terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering en het opleggen van een boete, en gaf aan op welke wijze de gedaagde aan zijn verplichtingen kon voldoen.
De rechtbank had geoordeeld dat de brief wel een besluit was, omdat deze een rechtsgevolg beoogde. Het hoger beroep richtte zich op dit oordeel. De Raad stelde vast dat de brief slechts een informerende en voorbereidende functie heeft, namelijk het wijzen op mogelijkheden tot terugbetaling en het treffen van een regeling, zonder een zelfstandig, definitief rechtsgevolg te beogen.
De Raad concludeerde dat de brief niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro kan worden aangemerkt. Het eerdere terugvorderingsbesluit en boetebesluit waren reeds het rechtsgevolg tot terugbetaling en boete oplegging. De brief bood slechts een mogelijkheid tot overleg en eenzijdige regeling bij uitblijven daarvan, zonder dat de brief zelf een besluit vormde.
Daarmee vernietigde de Raad het eerdere oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond voor zover het ging om het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de brief van 24 december 1998.
Uitkomst: De brief van 24 december 1998 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, waardoor het bezwaar tegen deze brief niet-ontvankelijk is verklaard.