ECLI:NL:CRVB:2002:AE7316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.G.M. Simons
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens niet vastgestelde identiteit
Appellante, van Chinese nationaliteit, verzocht om toelating tot Nederland op humanitaire gronden en vroeg vervolgens een bijstandsuitkering aan. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een verblijfsvergunning of een Chinees identiteitsbewijs waarmee haar identiteit kon worden vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het redelijkerwijs noodzakelijk is dat de identiteit van een aanvrager kan worden vastgesteld aan de hand van documenten zoals bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht (Wid). Appellante voldeed niet aan deze verplichting omdat zij geen geldig reisdocument kon overleggen en de overgelegde geboorte- en huwelijksakte onvoldoende waren.
De Raad verwierp het verweer dat het ontbreken van een paspoort te wijten was aan het zoekraken ervan en aan mededelingen van de Chinese ambassade. Omdat de identiteit niet kon worden vastgesteld, had appellante geen recht op bijstand. De subsidiaire grond op basis van de Koppelingswet werd niet verder besproken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het eerdere vonnis van de rechtbank Amsterdam en wees het beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van een geldig identificatiedocument.