ECLI:NL:CRVB:2002:AE7393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over terugvordering WW-uitkering wegens onontvankelijk bezwaar
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin hij werd verplicht een bedrag terug te betalen in verband met een herziening van zijn recht op WW-uitkering. Het bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens het UWV geen gronden waren ingediend zoals vereist in artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank onderschreef dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de brief van appellant wel degelijk gronden bevatte die als bezwaar konden worden aangemerkt, ook al betroffen deze gronden de besluitvorming over de terugvordering en niet de tenuitvoerlegging daarvan.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De Raad merkte op dat het bezwaar waarschijnlijk ongegrond zal worden verklaard, maar dat dit niet reden was om het bezwaar onontvankelijk te verklaren.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen het terugvorderingsbesluit is ten onrechte onontvankelijk verklaard; het UWV moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.