ECLI:NL:CRVB:2002:AE7554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over voortzetting Ziektewetuitkering na bevalling wegens bekkeninstabiliteit
Appellante ontving een Ziektewetuitkering wegens zwangerschap vanaf 26 augustus 1996 en na haar bevalling op 26 februari 1997 een bevallingsuitkering tot 23 mei 1997. Daarna bleef zij arbeidsongeschikt door rugklachten. Het UWV stelde echter dat de arbeidsongeschiktheid niet meer verband hield met de bevalling en stelde de uitkering per 24 mei 1997 stop, met terugvordering van teveel ontvangen uitkering.
Appellante ging in bezwaar en beroep tegen dit besluit. Medische deskundigen, waaronder een gynaecoloog, stelden dat de bekkeninstabiliteit en rugklachten veroorzaakt werden door de zwangerschap en bevalling, en dat het UWV de eerdere bekkenscheefstand en rugklachten niet als valide argumenten kon aanvoeren om de arbeidsongeschiktheid te ontkennen.
De Raad oordeelde dat het bezwaar ten onrechte ongegrond was verklaard en vernietigde het besluit. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Een vordering tot schadevergoeding wegens nalatigheid werd afgewezen omdat geen sprake was van nalatigheid bij betaling van de uitkering.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de Ziektewetuitkering na 24 mei 1997 stop te zetten wordt vernietigd en het beroep van appellante wordt gegrond verklaard.