ECLI:NL:CRVB:2002:AE7599
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijk inkomen en terugwijzing naar rechtbank
Gedaagde ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Na onderzoek bleek dat zij en haar echtgenoot gezamenlijk inkomen hadden uit arbeid, waardoor de uitkering per 1 april 2001 werd beëindigd. Verzoeker, het College van burgemeester en wethouders van Maastricht, nam een besluit tot beëindiging en terugvordering van bijstand.
Gedaagde maakte bezwaar tegen het besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit gegrond en vernietigde het besluit, omdat verzoeker het bezwaar tegen het latere besluit van 29 mei 2001 niet als zodanig had behandeld. De Centrale Raad oordeelde dat het besluit van 29 mei 2001 niet als wijzigingsbesluit kon worden beschouwd en dat verzoeker niet verplicht was het bezwaar tegen het eerste besluit ook als bezwaar tegen het tweede te zien.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor verdere behandeling. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De griffierechten werden terugbetaald aan de gemeente Maastricht.
Uitkomst: De Centrale Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de zaak terug voor verdere behandeling.