ECLI:NL:CRVB:2002:AE8327
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voortzetten passende arbeid na proeftijd
Appellant, een automonteur, was sinds oktober 1996 werkloos en ontving een WW-uitkering. In juni 1998 had hij een sollicitatiegesprek bij een nieuwe werkgever ([X.]) en liep hij twee dagen mee om te beoordelen of een vaste aanstelling mogelijk was. Op 1 juli 1998 besloot appellant zijn werkzaamheden niet voort te zetten vanwege een conflict met een ex-collega die ook bij [X.] was aangenomen.
De werkgever en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelden dat appellant zijn werkzaamheden had moeten voortzetten en de situatie met de ex-collega had moeten bespreken om tot een oplossing te komen. Indien dat niet mogelijk was, had hij vanuit die positie naar ander werk kunnen zoeken. De Raad oordeelde dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en dat hem dit in overwegende mate kan worden verweten.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het Uwv om de WW-uitkering met ingang van 1 juli 1998 blijvend geheel te weigeren. Er was geen sprake van een dringende reden om de werkzaamheden bij [X.] te staken, en de korte proefperiode werd aangemerkt als passende arbeid. De Raad vond geen aanleiding om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af te wijken van dit besluit.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt vanaf 1 juli 1998 blijvend geheel geweigerd wegens het niet voortzetten van passende arbeid door eigen toedoen.