ECLI:NL:CRVB:2002:AE8339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Voorschotverlening en verrekening van WW-uitkering bij intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering
Appellante kreeg met ingang van 4 november 1995 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de AAW en WAO, die later werden ingetrokken. Na het instellen van beroep tegen deze intrekking, diende zij op 12 oktober 1995 een aanvraag WW-uitkering in. Gedaagde kende een WW-uitkering toe vanaf 6 november 1995, die als voorschot werd beschouwd zolang het beroep op de intrekking liep.
Na gegrondverklaring van het beroep tegen de intrekking, stelde gedaagde vast dat appellante gedurende de periode 6 november tot en met 17 december 1995 arbeidsongeschikt was en beëindigde de WW-uitkering over die periode. De betaalde WW-uitkering werd verrekend met de AAW/WAO-uitkeringen.
Appellante betwistte dat er voorschotten waren verstrekt en dat verrekening was toegestaan. De Raad oordeelde dat de WW-uitkering onmiskenbaar als voorschot was toegekend en dat gedaagde bevoegd was tot verrekening. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten van zowel beroep als hoger beroep, omdat het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek was vernietigd.
Uitkomst: De WW-uitkering is als voorschot toegekend en mag worden verrekend met AAW/WAO-uitkeringen; gedaagde wordt veroordeeld in proceskosten.