ECLI:NL:CRVB:2002:AE8922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- H.J. Simon
- L.F.M. Verhey
- Rechtspraak.nl
Onjuiste bepaling maatmaninkomen bij AAW-uitkering na verkeersongeval
Appellant, een zelfstandig slager, vroeg een AAW-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid na een verkeersongeval op 31 december 1996. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op basis van de bedrijfsresultaten over 1994, 1995 en 1996, terwijl appellant betoogde dat de jaren 1993, 1994 en 1995 als referentie moesten dienen.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit wegens onvoldoende onderzoek naar misgelopen inkomsten, maar oordeelde dat het UWV terecht de jaren 1994-1996 als maatgevende jaren had gekozen. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat volgens vaste jurisprudentie de drie jaren voorafgaand aan het jaar van arbeidsongeschiktheid als maatgevend inkomen moeten worden genomen, waardoor het betrekken van 1996 onjuist was. De afwijking door het UWV was onvoldoende gerechtvaardigd en leidde tot een onjuiste uitkeringsberekening.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het daaropvolgende bezwaarbesluit, en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot schadevergoeding voor misgelopen inkomsten, proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit over de AAW-uitkering wordt vernietigd vanwege onjuiste bepaling van het maatmaninkomen en het UWV wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.