ECLI:NL:CRVB:2002:AF0886
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant was sinds 13 juli 1998 in dienst als chauffeur bij een bedrijf op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Hij nam op 13 september 1998 ontslag vanwege onenigheid over de hoogte van het loon. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), wees de WW-uitkering blijvend geheel af wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zelf ontslag had genomen terwijl voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van hem kon worden gevergd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Hoewel appellant verwijtbaar werkloos is geworden door zelf ontslag te nemen, is de opgelegde maatregel van blijvende gehele weigering niet proportioneel. De Raad stelt vast dat de arbeidsrelatie ernstig verstoord was, mede door onduidelijkheid over het netto loon, late betaling en verschillen van inzicht over de werkzaamheden.
De Raad acht de verklaring van de werkgever ongeloofwaardig en concludeert dat de verstoring van de arbeidsrelatie mede aan de werkgever valt toe te rekenen. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit voor zover het de blijvende gehele weigering betreft en bepaalt dat een nieuw besluit op bezwaar wordt genomen. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit nemen.