ECLI:NL:CRVB:2002:AF1898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T. Hoogenboom
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na vernietiging plaatsingsbesluit ambtenaar
Appellant, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, werd in 1991 geplaatst in een lagere salarisschaal na een reorganisatie, wat hij aanvocht. De Raad vernietigde het besluit van 19 maart 1992, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat appellant inmiddels gebruik had gemaakt van de (pré)VUT-regeling en niet meer in dienst was.
Appellant vorderde vervolgens schadevergoeding voor inkomensverlies, immateriële schade, kosten rechtsbijstand, rente- en pensioenschade. De gemeente wees dit af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad overwoog dat voor schade vóór 1993 andere normen gelden dan voor schade ná die datum, waarbij voor latere schade aansluiting wordt gezocht bij civielrechtelijke criteria. Appellant kon echter niet aantonen dat het gebruik van de (pré)VUT-regeling causaal verband hield met het vernietigde besluit. Ook was onvoldoende bewijs voor immateriële schade en werden kosten van rechtsbijstand slechts beperkt toegekend.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de gevorderde schadevergoeding niet toewijsbaar is en dat het besluit van 19 maart 1992 onrechtmatig was, maar dit niet leidde tot vergoeding vanwege het ontbreken van causaliteit en bewijs van schade.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de schadevergoeding wegens het ontbreken van causaal verband en onvoldoende bewijs van schade.