ECLI:NL:CRVB:2002:AF2034
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over loonbetalingsverplichtingen bij surséance van betaling
Appellant was in dienst bij een werkgever die vanaf mei 1998 geen salaris meer betaalde en aan wie op 22 juli 1998 voorlopige surséance van betaling was verleend. Het UWV weigerde de loonbetalingsverplichtingen over te nemen op grond van artikel 61 van Pro de Werkloosheidswet (WW), omdat volgens hen surséance van betaling geen blijvende betalingsonmacht betekende.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en volgde het standpunt van het UWV. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat de wetgever met artikel 61 WW Pro heeft beoogd dat een werkgever die failliet is verklaard, surséance van betaling heeft of onder schuldsanering valt, wordt geacht te zijn opgehouden met betalen.
De Raad stelde dat het niet nodig is om bij surséance van betaling nader onderzoek te doen naar de betalingsonmacht, omdat de juridische status van de werkgever bepalend is. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en gemaakte reiskosten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen over de overname van loonbetalingsverplichtingen bij surséance van betaling.