ECLI:NL:CRVB:2002:AF2358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering overeenkomst toepassing Nederlandse sociale verzekeringswetgeving voor deelvisser onder Duitse vlag
Appellant, een deelvisser die werkzaam is op een schip varend onder Duitse vlag, verzocht de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om een overeenkomst te sluiten met de Duitse autoriteiten op grond van artikel 17 van Pro EG-Verordening 1408/71, zodat de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op hem van toepassing zou zijn gedurende 1999. Eerdere overeenkomsten voor de jaren 1991-1996 en 1997-1998 waren reeds gesloten.
De SVB wees het verzoek af omdat het beleid is om dergelijke overeenkomsten slechts voor maximaal vijf jaar te sluiten, tenzij sprake is van uitzonderlijke onbillijkheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het beleid van de SVB binnen redelijke beleidskaders valt en dat de bijzondere situatie van appellant, die geen banden met Duitsland heeft maar onder Duitse vlag vaart vanwege visquota, geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert.
Appellant voerde aan dat het beleid discriminerend is en dat Duitsland bereid was langere overeenkomsten te sluiten, maar de Raad stelde dat lidstaten bevoegd zijn en Nederland zich aan de afgesproken beleidsregels houdt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen onjuiste toepassing van het beleid was aangetoond. De Raad wees ook een vergoeding van proceskosten af en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de SVB om een overeenkomst te sluiten waardoor de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op appellant zou worden toegepast in 1999.