ECLI:NL:CRVB:2002:AF2954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen AWBZ-verzekering en premieheffing
Gedaagde ontvangt een AOW-uitkering en kreeg in juni 1999 een brief van de Sociale Verzekeringsbank waarin werd medegedeeld dat hij vanaf januari 1999 verzekerd is voor de AWBZ en dat premie zal worden ingehouden op zijn AOW-pensioen. Gedaagde maakte bezwaar tegen deze mededeling, maar dit werd door appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens appellant geen sprake was van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat de brief wel een besluit is dat gedaagde rechtstreeks in zijn belang treft en verklaarde het bezwaar gegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat de brief van juni 1999 een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan is die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt, gericht op rechtsgevolg, namelijk de verzekering van gedaagde voor de AWBZ en de premieheffing. Het feit dat de belastingdienst uiteindelijk beslist over de verzekeringsplicht doet hieraan niet af. Daarom is het hoger beroep ongegrond en wordt het vonnis van de rechtbank bevestigd.
De Raad veroordeelde appellant tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde en legde een recht op aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.