ECLI:NL:CRVB:2002:AF2971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van WAO-uitkeringsbesluit en beroepstermijn
Appellant stelde bezwaar tegen het besluit van 7 juni 1999 dat hij geen WAO-uitkering meer zou ontvangen na afloop van de ziekengeldmaximumtermijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het hoger beroep niet tijdig was ingesteld. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de rechtbank in strijd met artikel 8:38 Awb Pro handelde door niet te verifiëren of de stukken naar het juiste adres waren verzonden, waardoor de kennisgeving en uitspraak aanvankelijk naar een verkeerd adres werden gestuurd. Hierdoor begon de beroepstermijn pas op 4 november 2000 te lopen, zodat het hoger beroep van 16 november 2000 tijdig was.
Inhoudelijk oordeelde de Raad dat de medische beperkingen van appellant, inclusief psychische klachten, adequaat waren meegenomen in het belastbaarheidsprofiel en dat de functies die appellant kon verrichten de belastbaarheid niet overschreden. Ook de toegepaste reductiefactor 38/40 was volgens de Raad correct en in overeenstemming met wet- en regelgeving. Het verzoek tot nader psychiatrisch onderzoek werd afgewezen.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak, verklaarde het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde de gedaagde in de proceskosten van appellant. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep is ontvankelijk maar inhoudelijk ongegrond verklaard en het bestreden WAO-besluit bevestigd.